De betekenis van de verrijzenis[1]
Mgr André-Jozef Léonard, Aartsbisschop van Mechelen-Brussel
EEN KRACHTIGE EN UNIVERSELE GETUIGENIS
De vier evangelies zijn opgetekend in het licht van het paasgeloof en kunnen enkel in dit licht begrepen worden. Men vat ze pas ten volle als men ze leest in functie van hun laatste hoofdstukken. Niet alleen hebben ze het allemaal over de verrijzenis van Jezus als sluitstuk, ook hun bedoeling om een ‘eu-angelion’, een ‘Blijde Boodschap’ te brengen, zou ondenkbaar en tegenstrijdig zijn als het verhaal van de drager en het onderwerp van dit ‘goede nieuws’ zou eindigen met de kruisdood, als God diegene die zichzelf voorstelde als zijn Zoon voorgoed verlaten zou hebben, als het Rijk Gods dat Jezus verkondigde in het niets zou verdwijnen door zijn eerloze dood. Ook het boek ‘Handelingen der Apostelen’ is geheel gewijd aan de verkondiging van de dood en de verrijzen is van Jezus. Vanuit Jeruzalem, over Palestina, Klein-Azië en Griekenland, tot in Rome toe. Hetzelfde geldt voor Paulus, wiens brieven worden gedragen door het verrijzenisgeloof. Dit blijkt overduidelijk uit volgende beroemde passage waarin hij uitvalt naar ketters die de opstanding van de doden ontkennen:
Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. Dan blijkt dat wij als getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat we verklaard hebben dat hij Christus heeft opgewekt- want als er geen doden worden opgewekt, dan kan hij dat niet hebben gedaan. Wanneer de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt. Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden en worden de doden die Christus toebehoren niet gered. Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn. Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen (1 Kor 15, 12-20).
Ook de brief aan de Hebreeën is volledig gestoeld op het paasgeloof. Die brief bezingt immers het eeuwige priesterschap van Christus die, door zijn verrijzenis, ‘een verheven hoge- priester die de hemel is doorgegaan’ (Heb 4, 14) is geworden. De verrijzenis staat eveneens centraal in de katholieke brieven en vooral in de Openbaring met als hoogtepunt de aanbidding van het Paaslam, geslacht en verrezen (cf. Apk 5).
DE GEKRUISIGDE DOOR GOD IN EER HERSTELD
Maar wat is nu precies de betekenis van de verrijzenis van Jezus volgens het Nieuwe Testament? De diepe kern van het paasgeloof vernemen we uit de eerste christelijke verkondiging zoals Lucas ons die aanreikt in de Handelingen van de Apostelen. Luister hoe Petrus het verwoordt in de allereerste paasverkondiging op Pinksteren: “Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht. Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over hem niet behouden. (...) Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en Messias is aangesteld” (Hand 2,22-24.36).
Het enige thema van Petrus’ toespraak - en van alle andere die in de Handelingen zijn opgenomen (cf Hand 3, 13-15; 4, l0-11;5,30-32) kan samengevat worden in deze stelling: ‘Omdat Hij zich gelijk heeft gemaakt aan God, is deze Jezus die jullie gekruisigd hebben, door God zelf opgewekt’. De drie wezenlijke eigenschappen van Jezus vloeien hierbij logisch uit elkaar voort: de goddelijke aanspraak van Jezus dreef de mens ertoe hem te veroordelen tot de vernederende dood op het kruis, en de verrijzenis uit de dood brengt vervolgens Gods antwoord op deze terechtstelling door de mens aan het licht.
DE BETEKENIS VAN DE VERRIJZENIS
Deze essentiële kenmerken van de persoon van Jezus en hun onderlinge samenhang houden een rijkdom aan betekenis in.
Ten eerste: in het licht van het Nieuwe Testament rechtvaardigt de derde eigenschap van Jezus (zijn verrijzenis uit de dood) de eerste (zijn aanspraak op goddelijkheid), over de tweede heen (zijn terechtstelling wegens godslastering). Uitdrukkelijker geformuleerd: door Jezus op te wekken, bekrachtigt de Vader diens bewering de gelijke van God te zijn. Hij geeft hem gelijk en rechtvaardigt hem die veroordeeld werd voor godslastering. In dit opzicht betekent de verrijzenis een eerherstel van de Gekruisigde.
Ten tweede: Pasen schenkt Jezus zijn ware gelaat; zijn door de mensen verminkte aanschijn baadt, als herschapen, in heerlijkheid. Hoewel hij van goddelijke natuur was, en dit ook beweerde te zijn, maakte Jezus er geen aanspraak op als dusdanig behandeld te worden. Hij had niet enkel de nederigheid van het aardse, menselijke bestaan aanvaard, maar ook de vernedering van het lijden. Welnu, door de verrijzenis verheft God diegene die wij hebben vernederd, en toont Hij in zijn herschapen menselijkheid de goddelijke heerlijkheid en verhevenheid als Christus en Heer, die tot dusver verborgen en miskend was. Deze paasverheerlijking van de vernederde Zoon bezingt Paulus in de wondermooie hymne die hij opnam in zijn brief aan de Filippenzen (Fil 2,6-11).
Ten slotte: door de opwekking van Jezus, die overgeleverd was aan de dood en tot de zondaars werd gerekend (‘één gemaakt met de zonde’, zegt Paulus in 2 Kor 5, 21) vestigt God, over en voorbij de dubbele afgrond van dood en zonde, een nieuwe mensheid en een nieuwe wereld. Zo betekent Pasen voor het christelijke geloof het begin van wat de Schrift noemt ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (cfr. 2 Pe 3, 13 en Apk 21,1 verwijzend naar jes 65, 17 en 66,22) waarbij de verrezen Christus verschijnt als ‘de eerstgeborene van heel de schepping’, ‘de eerstgeborene uit de doden’ (Kol 1, 15-18), ‘de eerste van de gestorvenen’ (1 Kor 15,20).
DE KIEM VAN DE GEHELE GELOOFSLEER
De drie betekenissen die we hierboven hebben belicht — eerherstel en verheerlijking van Jezus, vestiging van de nieuwe wereld — vloeien haast onmiddellijk voort uit de verrijzenis, als derde fundamentele eigenschap van de persoon van Jezus. Als we dit in alle bijzonderheden zouden uitwerken, zouden we de gehele katholieke geloofsleer kunnen ontwikkelen. Als het bijvoorbeeld waar is dat Jezus van goddelijke natuur is, terwijl Hij onophoudelijk verwijst naar een andere die hij zijn Vader noemt en die eveneens God is, dan betekent dit dat God ten minste twee goddelijke personen omvat. Als we daarop doordenken, leidt ons dat naar het dogma van de Heilige Drie-eenheid.
En als Jezus de tweede persoon van de Drievuldigheid is, die als dienaar, aan de mens gelijk, in deze wereld is gekomen, stoten we op het dogma van de menswording. En ga zo maar door. Zo vloeien alle geloofsartikelen van het Credo voort uit het totale wezen van Christus. Het zijn in zekere zin alle noodzakelijke belijdenissen om tot een totaalbeeld van de ware Christus te komen.
DE COMPLEXE SAMENHANG VAN HET WEZEN VAN CHRISTUS
Wie doordenkt over het pijnlijke mysterie van het kwaad en daartoe het totaalbeeld van Jezus (goddelijke aanspraak, dood, verrijzenis) en de hoop die eruit spreekt voor de mensheid, voor ogen houdt, zal moeten erkennen dat er een intrinsiek verband bestaat tussen de figuur van Christus en de het reële menselijke bestaan. Alvorens we ons afvragen welke redenen er zijn voor ons geloof in de historiciteit van deze persoon (en die redenen zijn talloos), kunnen we meteen vaststellen wat voor een aantrekkings- en overtuigingskracht er uitging van Christus. Hoe verder ik vorder op mijn levenspad als christen en als priester, hoe dieper ik er zelf van overtuigd ben dat de voornaamste rechtvaardiging van het geloof in Jezus Christus ligt in de unieke en absoluut onvergelijkbare persoonlijkheid van Jezus.
In het geloofsleven, waar licht en duisternis hand in hand gaan, is het normaal dat af en toe de verleiding van de twijfel binnensluipt: ‘Als alles nu eens niet meer dan een illusie zou zijn, een mooi droombeeld verzonnen door mensen?’. In dat geval is de eerste (er zijn er nog veel meer nodig!) rechtvaardiging die in me opkomt, de wondere coherentie en samenhang van de persoon van Jezus in het hart van het mens-zijn en de geschiedenis. Die reden volstaat om me, na een moment van onzekerheid, opnieuw te overtuigen.
Die samenhang is geen kunstmatige die de menselijke geest had kunnen uitvinden of die het verstand zou kunnen beheersen met een logica die typisch is voor een mooi uitgedokterd filosofisch systeem of voor een ideologie die vakkundig is aangepast aan de heersende mentaliteit. Zeker niet! De samenhang is zo complex, zo contrastrijk en zo onvoorspelbaar gekoppeld aan tal van historische feiten, dat ze onmogelijk opgebouwd kan zijn door een uitgekiende logica en ontsnapt aan elk systeemdenken. Wie zou bijvoorbeeld de vier complementaire invalshoeken op de persoon van Jezus uit de evangelies kunnen reduceren rot één eenduidig beeld? Zelfs bij de drie synoptici zijn de schakeringen en verschillen zo onherleidbaar, dat we moeten spreken van een theologie van Mattheüs, van Marcus en van Lucas! En wie zou erin slagen om de vele, haast contradictorische trekken van die contrastrijke Jezus tegelijk hooghartig en bescheiden, roemrijk en gehoond, veeleisend en vergevingsgezind, zachtmoedig en strijdvaardig, onschuldig en o zo dicht bij de zondaars — kunnen verenigen tot één keurig, logisch geheel?
Moge de genade van Pasen ons onvermengde vreugde schenken! Ze is hoegenaamd geen illusie.
[1] Pastoralia, april 2012